Home > Nieuws > Wet VBAR en schijnzelfstandigheid

Arbeidsrecht25 mei 2024

Wet VBAR en schijnzelfstandigheid

Wet VBAR en schijnzelfstandigheid

Wet VBAR in het hoofdlijnenakkoord

De fractievoorzitters van PVV, VVD, NSC en BBB publiceerden het hoofdlijnenakkoord 2024-2028, dat maatregelen bevat tegen schijnzelfstandigheid. Het akkoord stelt: “Zekerheid op de arbeidsmarkt wordt gestimuleerd, bijvoorbeeld voor echte zelfstandigen (zzp'ers)” en benadrukt dat “de wetsbehandeling van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) en de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (WTTA) voortgezet” zal worden.

Schijnzelfstandigheid

Er bestaat al lange tijd onduidelijkheid over het beoordelen van arbeidsrelaties tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers. Wanneer is sprake van schijnzelfstandigheid? Als een ZZP'er denkt voor een opdrachtgever te werken, maar de Belastingdienst stelt dat deze eigenlijk werknemer in loondienst is, kan dit grote gevolgen hebben voor beide partijen. De Wet VBAR beoogt dit helder te maken.

De Wet VBAR en eerdere wetten

De overheid deed meerdere pogingen duidelijkheid te creëren:

  • 2005: Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) ingevoerd
  • 2016: VAR vervangen door Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA)

De Wet DBA bracht echter onvoldoende duidelijkheid. De Belastingdienst stelde daarom een handhavingsmoratorium in. Dit is in 2024 nog steeds van kracht, maar zal naar verwachting per 1 januari 2025 worden opgeheven.

Het nieuwe wetsvoorstel VBAR ligt nu op tafel, maar kreeg veel kritiek van politici, werkgeversorganisaties en zzp-organisaties. Hoewel opgenomen in het hoofdlijnenakkoord, verschillen partijen nog stevig over de invulling. De oorspronkelijke ingangsdatum van 1 januari 2026 zal waarschijnlijk niet worden gehaald.

Het huidige wetsvoorstel VBAR

Het wetsvoorstel heeft twee hoofddoelen:

  1. Te verduidelijken wanneer iemand werkt in dienst van een werkgever
  2. Een rechtsvermoeden voor arbeidsovereenkomsten in te voeren op basis van een tariefgrens

Verduidelijking van ‘werken in dienst van’

Het toetsingskader bestaat uit drie hoofdelementen (Boek 7:610 BW):

A. Werkinhoudelijke aansturing — De werkgever stuurt de arbeid inhoudelijk aan

B. Organisatorische inbedding — De arbeid of werknemer is ingebed in de werkgeversorganisatie

C. Eigen rekening en risico — De werknemer verricht arbeid niet voor eigen rekening en risico

Er is geen arbeidsovereenkomst als situatie C hoofdzakelijk van toepassing is. Er is wél een arbeidsovereenkomst als situaties A en B voornamelijk van toepassing zijn.

Rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst

Werknemers in loondienst verdienen doorgaans minder per uur dan zelfstandigen, omdat zelfstandigen extra kosten hebben voor verzekeringen, pensioenreserveringen en buffers voor periodes zonder opdrachten.

Het wetsvoorstel stelt dat werkenden met lage tarieven weinig onderhandelingsmacht hebben en kwetsbaar zijn, waardoor risico op gedwongen schijnzelfstandigheid groot is. Om deze groep te beschermen, introduceert de Wet VBAR een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst.

Bij werkenden die na aftrek van kosten voor arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenreservering minder dan 120% van het wettelijk minimumloon overhouden, ontstaat een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst. Deze tariefgrens staat op €32,24 (peildatum 1 juli 2023).

Dit rechtsvermoeden betekent dat werkenden met lagere tarieven makkelijker een arbeidsovereenkomst kunnen opeisen, maar niet dat een arbeidsovereenkomst automatisch ontstaat. Ook betekent het niet dat tarieven boven deze grens automatisch zelfstandigheid impliceren.

Conclusie

De Wet VBAR formuleert criteria om te bepalen of sprake is van een arbeidsovereenkomst of zelfstandigheid. Gekeken wordt naar werkinhoudelijke aansturing, organisatorische inbedding en of de werknemer voor eigen rekening en risico werkt.